Autisme als stresstest voor onze instituties
Nederland ziet zichzelf graag als een land van redelijkheid, zorgvuldigheid en rechtszekerheid. We vertrouwen op instituties die geacht worden objectief en professioneel te handelen. Maar voor wie buiten de impliciete sociale norm valt, blijkt dat vertrouwen vaak misplaatst. Autisme maakt dat pijnlijk zichtbaar.
Autisme wordt doorgaans gezien als een individuele beperking. In werkelijkheid functioneert het eerder als een stresstest voor systemen die afhankelijk zijn van interpretatie, informele machtsverhoudingen en ongeschreven regels. In mijn boek Autisme en de valkuil van vertrouwen beschrijf ik wat er gebeurt wanneer een rationeel, consistent denkend mens botst met instituties die niet primair op logica, maar op context en belangen opereren.

Een niet-autistisch persoon leert zich gaandeweg te bewegen binnen ambiguïteit. Afspraken zijn richtinggevend, niet bindend. Woorden krijgen betekenis afhankelijk van de situatie. Procedures zijn flexibel zolang dat praktisch uitkomt. Voor een autistisch brein is dat geen nuance, maar een fundamentele breuk. Wie uitgaat van eenduidigheid en voorspelbaarheid, ervaart dit als willekeur.
Juist daar ontstaan problemen met overheidsorganisaties, toezichthouders, accountants en rechtspraak. Niet omdat deze instanties per definitie kwaadwillend zijn, maar omdat zij hun eigen subjectiviteit ontkennen. Besluiten worden gepresenteerd als neutraal en rationeel, terwijl ze in de praktijk vaak voortkomen uit aannames, tijdsdruk en institutionele zelfbescherming. Die spanning wordt zelden benoemd, laat staan erkend.
Voor mensen met autisme heeft dat verstrekkende gevolgen. Wanneer vertrouwen in procedures wordt afgestraft, wordt dat al snel geïnterpreteerd als naïviteit of gebrek aan realiteitszin. Het individu krijgt het label probleemdrager, terwijl het systeem buiten schot blijft. Autisme wordt gemedicaliseerd, niet omdat het brein disfunctioneert, maar omdat het niet meebeweegt met structurele vaagheid.
Dat is een ongemakkelijke conclusie. Want wat zegt het over onze samenleving als eerlijkheid, consistentie en rationele argumentatie worden gezien als hinderlijk? Waarom geldt aanpassen altijd als de verantwoordelijkheid van degene die afwijkt, en zelden als een opdracht aan de instituties zelf?
Dit is geen pleidooi voor slachtofferschap of uitzonderingsposities. Het is een oproep tot volwassen zelfonderzoek. Zolang instituties zichzelf blijven beschouwen als objectief en professioneel, zonder ruimte voor reflectie op hun eigen aannames, blijven zij falen voor mensen die niet vertrouwen op sociale intuïtie maar op expliciete regels.
Een werkelijk inclusieve samenleving vraagt meer dan begrip of zorg. Zij vraagt structurele eerlijkheid. Dat betekent transparante besluitvorming, heldere communicatie en het expliciet maken van afwegingen die nu impliciet blijven. Niet omdat autisme daarom vraagt, maar omdat rechtsstatelijkheid dat vereist.
Autisme houdt ons een spiegel voor. Niet van kwetsbaarheid, maar van systeemfalen. De vraag is niet of we die spiegel prettig vinden. De vraag is of we bereid zijn te erkennen wat erin zichtbaar wordt.
